Molluscofobie

Als er een dier is dat me de kriebels geeft, is het de (naakt)slak. De gedachte alleen al geeft me koude rillingen, laat staan dat ik ooit zo’n beestje zou aanraken.  Een vorm van molluscofobie, als het ware.

Dat ik walg van deze beestjes is natuurlijk geen reden om ze en masse uit te roeien. Slakken hebben hun nut als opruimers van de natuur. Helaas barst de slakkenpopulatie in onze tuin uit zijn voegen.  ’s Avonds struikel je bijna over deze glibberige beestjes en ze doen zich vooral te goed aan onze korenbloemen en aardbeienplantjes. Om van de schade aan onze wormenbak nog maar te zwijgen.

Zo rond deze tijd leggen de volwassen exemplaren trouwens massaal eieren die snel uitkomen. Tijd voor actie dus!

Een slakkenprobleem aanpakken doe je op twee manieren: via preventie en via bestrijding. Juist omdat ze nu hun eieren leggen, is het de ideale moment om de populatie wat te verminderen. Dan kan via:

  • slakkenvallen met daarin een lokstof, zoals bier, honden- en katteneten, fruit, een honing- en gistmengsel dat je eerst kookt. Voordeel: is erg goedkoop en makkelijk te installeren. Nadeel: je moet de slakkenlijkjes zelf opruimen en het trekt slakken aan uit buurtuinen.
  • eco-vriendelijke anti-slakkenkorrels strooien die de slakken opeten. Voordeel: de slakken zoeken zelf een plekje om te sterven waardoor je tuin niet bezaait ligt met dode beesten. Nadeel: duurder en trekt ook slakken aan.
  • het koesteren van natuurlijke vijanden van de slak, zoals merels, eenden, egels, kippen, kikkers en padden. Voordeel: je krijgt er vrienden bij. Nadeel: plan op lange termijn en niet altijd evident voor de stadstuin (hoe zou een egel ooit in onze ingesloten tuin terecht kunnen komen?)
  • nematoden of aaltjes inschakelen. Deze parasiet gaat op zoek naar naaktslakken en vernietigt ze daarna. Voordeel: biologische bestrijdingsmiddel. Nadeel: nogal omslachtig om de beestjes los te laten in de tuin.
  • slakken vangen en verdrinken (of in twee knippen met een schaar). Voordeel: goedkoop. Nadeel: een no-no voor een tuinierder met slakkenvrees.

Zelf koos ik voor slakkenkorrels die ik ondertussen al drie keer in onze tuin rondstrooide. Op het eerste gezicht lijkt de schade aan onze planten minder te worden, maar toch betrap ik nog regelmatig een exemplaar.

Daarom is het ook belangrijk om aandacht te hebben voor preventieve maatregelen:

  • kies voor planten waar slakken niet dol op zijn, of omring de belaagde planten met sterk geurende kruiden. Denk hierbij aan tijm, rozemarijn, salie of look, snijbiet, gember, knoflook, bieslook, munt, rode kool, witlof, vingerhoedskruid.
  • strooi koffiegruis rond de planten
  • trek thee van look en giet dit rond de planten
  • slakken houden niet van scherpe hindernissen. Je kan het hen dus extra moeilijk maken door bijvoorbeeld fijne eierschalen, grint en dennennaalden tussen de planten te strooien.
  • koperstrips rond je planten of bloempotten leggen. Slakken krijgen elektrische shocks van koper en zullen de barrière niet oversteken.
  • zeewier rond planten leggen. Zeewier is te zout voor de slak.

Wat je zeker niet mag doen, is zout strooien op de slak. Hoe zeer ik de beesten ook verfoei, zo’n lijdensweg verdienen ze niet. Mocht dat je geen moer kunnen schelen, weet dan dat zout schadelijk is voor de bodem en planten.

Heb je zelf nog tips, dan hoor ik het graag!

Advertenties

Wormenbak: poging 1

Zoals jullie eerder al op deze blog konden lezen, ondernam ik enkele weken geleden een eerste poging om een wormenbak op te starten. Poging ja, want er liep een en ander mis. Lieve lezer, leer uit mijn fouten…

Het begon allemaal prima. Ik had een wormenbak die aan alle vereisten voldeed:

  • voldoende gaten in de plastic stapelbakken (met uitzondering van de onderste bak natuurlijk)
  • de bakken waren donker genoeg
  • het deksel had een luchtgaatje (de beestjes ademen graag)
  • de onderste bak had zelfs een kraantje om het percolaat, het vocht dat door de wormen gemaakt wordt en super goed is om je planten mee te bemesten, af te tappen (optioneel)

Ik had een bak gevuld (de tweede als je van de onderste begint te tellen) met een laag stro.

Een eerste laag met stro

Een eerste laag met stro

Op deze laag gooide ik (ongekookt) groenteafval  dat ik eerst in kleine stukjes van maximum 5 centimeter had gesneden. Dat groenteafval bestond vooral uit wortel- en aardappelschillen, paprika- en champignonresten. Afval van ajuin, prei en citrusvruchten maakt je compost zuur, daarom besloot ik om dit voorlopig niet toe te voegen.

Een tweede laag met (ongekookt) groenteafval in kleine stukjes.

Een tweede laag met (ongekookt) groenteafval in kleine stukjes.

Kortom, de wormenbak was er helemaal klaar voor. Enig probleem: ik had nog geen wormen. Regenwormen wel natuurlijk, daarvoor moet ik maar een schepje in de grond steken in onze tuin. Helaas zijn deze niet geschikt als compostworm. Ik moest op zoek gaan naar tijgerwormen: kleine, dunne, roodachtige wormen.

Een compostworm is kleiner, smaller en roder dan een regenworm.

Een compostworm is kleiner, smaller en roder dan een regenworm.

Een tante met donkergroene vingers gaf me de tip om de bak die gevuld was met het groenteafval en de stro gewoon in de tuin te zetten. Voordat je het zelf gaat proberen: dit was uiteindelijk niet zo’n goede tip. Na enkele weken was er nog geen compostworm te zien…En het wordt nog erger.

De gevulde bak met gaten in de tuin: don't try this at home.

De gevulde bak met gaten in de tuin: don’t try this at home.

Ondertussen ontmoette ik tijdens de opening van de Zadenbib, waarover je hier meer kan lezen, een vriendelijke compostmeester die me een zakje tijgerwormen kon bezorgen. Ik was blij dat ik eindelijk van start kon gaan!

De eerste twee dagen leverde de wormenbak al meteen een beetje percolaat. Het bruine vocht dat (verdund!) goede bemesting is voor planten, verzamelde zich in de onderste bak. Een dikke week later gebeurde er niets meer. Wel vond ik in het groenteafval een kolonie vieze, slijmerige naaktslakken.

Onze tuin is vergeven van de naaktslakken...iets wat ik de afgelopen dagen serieus probeerde aan te pakken.

Onze tuin is vergeven van de naaktslakken…iets wat ik de afgelopen dagen serieus probeerde aan te pakken.

Spinnen of wormen vastpakken (met een handschoen, zo stoer ben ik niet) is allemaal prima. Maar als er een dier is waar ik koude rillingen van krijg, zijn het naaktslakken. Nu, het feit dat ik walg van deze beesten is natuurlijk geen reden om ze te verdelgen. Ze hebben ongetwijfeld hun nut voor de natuur, etc.

Erger is dat deze kruiperige wezens ook wel eens een wormpje lusten. (klik – als je een sterke maag hebt) Al schijnt de occasionele slak geen probleem te zijn, een wormenbak vergeven van deze slakken helpt me natuurlijk geen meter verder. Het advies van de compostermeester was dan ook onverbiddelijk: alles eruit en opnieuw beginnen!

Binnenkort kan ik jullie hopelijk vertellen over een iets meer geslaagde poging…

Wormenbak

In onze kleine stadstuin is er geen ruimte voor een composthoek of -vat. Gelukkig bestaat er nog een andere, veel compactere manier om te composteren: via een wormenbak.

Een wormenbak bestaat uit een aantal stapelbare, plastic bakken. Je kan al van start gaan met twee bakken en een deksel, maar hoe meer bakken, hoe meer groenteafval je kwijt kan en hoe meer compost je kan verzamelen.

Onze wormenbak

Een van de stapelbare bakken van onze wormenbak

In de bovenste bakken zitten gaten in de bodem. Via deze gaten kunnen de wormen naar boven of naar onder kruipen en kan het percolaat, het vocht dat door de wormen gemaakt wordt en (verdund!) ideaal is om je planten mee te bemesten, in de onderste bak opgevangen worden.

Via mijn vader kreeg ik een kant-en-klare wormenbak, maar je kan deze ook gemakkelijk zelf maken. Let dan wel op volgende zaken:

  • Maak voldoende gaten in de plastic stapelbakken (met uitzondering van de onderste bak natuurlijk)
  • De bakken en het deksel mogen geen licht doorlaten (wormen houden daar niet van)

De wormenbak werkt als volgt: je gooit je (ongekookt) groenteafval in de tweede bak (als je vanaf de onderste begint te tellen), totdat hij halfvol is. Vanaf dat moment vul je de derde bak, ook weer totdat hij halfvol is. Dan ga je naar de vierde,… totdat je bakken vol zijn en je weer onderaan kan beginnen.

Ondertussen doen de wormen zich te goed aan het afval en produceren bijna onmiddellijk percolaat, het bruine, geurloze goedje dat goede bemesting is voor planten. De rest van het groenteafval wordt langzaam (men spreekt over maanden) verwerkt tot het zwarte goud: compost.

Een dikke twee weken geleden heb ik onze wormenbak opgestart. Hoe dat in zijn werk ging, vertel ik binnenkort op deze blog. Ik zal hier sowieso af en toe een update geven over onze nieuwe huisdieren.

Wie niet zo lang op zijn honger kan blijven zitten, moet zeker deze brochure van OVAM eens lezen. Daarin vind je ongeveer alles wat je moet weten om er zelf aan te beginnen. Veel succes!

Niet zo fijn stof

Aan onze gevel hangt sinds begin deze week een aardbeienplant. Op zich niets bijzonders, er hangen wel vaker (helaas nog niet vaak genoeg) planten tegen gevels, maar dit plantje is een van de duizend aardbeienplanten die Universiteit Antwerpen inzet om het fijn stof in de stad te meten.

Onze bijdrage aan het Airbezenproject

Onze aardbeienplant

Twee maanden lang verzorgen vrijwilligers net als ik uit alle hoeken van de stad een aardbeienplantje. De plant moet aan de voorgevel van het huis bevestigd zijn, bij voorkeur op de eerste verdieping. Je mag het alleen af en toe water geven, maar niet bemesten of verpotten. In het weekend van 10 mei moet iedereen een stengel met blaadjes afknippen en het staaltje afleveren aan een inzamelpunt.

De universiteit zal dan via biomagnetische monitoring onderzoeken hoeveel fijn stof er op de bladeren en dus ook in de lucht zit. Doordat de meetstations over de hele stad verspreid zijn, kunnen de onderzoekers een kaart opstellen met de magnetische waarden in de hele stad. Op deze manier kunnen ze niet alleen de lokale luchtkwaliteit tonen, maar ook mogelijke knelpunten bovenhalen.

De affiche van de campagne.

De affiche van de campagne

Het onderzoek van Universiteit Antwerpen kan niet actueler zijn. Wie de laatste tijd de berichten in de media heeft gevolgd, weet dat we een serieus probleem hebben met onze luchtkwaliteit. Denk maar aan de hele heisa rond het Oosterweeltracé of het smogalarm dat afgelopen week werd afgekondigd.

En nu maar duimen dat we het potje stevig genoeg bevestigd hebben en het de twee maanden zal overleven.

Een beetje kleur

Terwijl we nog wachten op de bladeren en bloemen van onze klimplanten, heb ik de kale muur achter in onze stadstuin toch al wat kleur gegeven – zonder een verfborstel boven te halen. Hoe? Met hangpotjes natuurlijk!

Het begint al bij de bloempot zelf. Smaken verschillen maar ik ben fan van onze lentegroene potjes. Daarnaast heb je nodig:

  • een plantje of wat zaad
  • potgrond
  • hydrokorrels, ook wel (geëxpandeerde) kleikorrels genoemd

Belangrijk is dat je kijkt of de bloempot water kan doorlaten. De meeste bloembakken en -potten uit de winkel zijn waterdicht. Als je jouw plant niet wil verzuipen (en ik spreek hier uit ervaring), boor dan een gaatje (of twee) in de bodem van de pot.

In deze bloempot boorde ik een gat zodat het overtollige water weg kan.

In deze bloempot boorde ik een gat zodat het overtollige water weg kan.

Als je met een plantje werkt (en niet gaat zaaien), dompel dan de plant met plantenpot (het potje dat je samen met de plant kocht) in een emmer water of giet er een stevige geut water overheen. Op deze manier kan je zo meteen het plantje veel gemakkelijker uit de plantenpot halen en is het voor de plant zelf ook eenvoudiger om straks zijn wortels uit te slaan in de bloempot.

Vul de bloempot vervolgens met een laag kleikorrels. Deze zorgen voor een betere drainage.

Je zou de korrels ook met je potgrond kunnen mengen. Op deze manier  houden de korrels het vocht vast en zorgen ze ervoor dat de grond luchtig blijft, wat goed is voor de wortels van de plant.

Een laag hydrokorrels onderaan de pot zorgt voor een betere drainage.

Een laag hydrokorrels onderaan de pot zorgt voor een betere drainage.

Daarna vul je de pot met grond en het plantje (of zaad). Nog een guts water erover en je bent klaar!

Klaar!

Klaar!

O brasileiro

Er was een periode dat je op tv struikelde over de ‘home make-over’ programma’s, weet je nog? Je had de hyperkinetische ‘Move that bus!’ kerel,  een paar Britse versies waarin een slaapkamer steevast omgetoverd werd tot een ‘boudoir’ en een paar programma’s met die blonde huizendokter. En Debby Travis natuurlijk.

In Brazilië loopt al jaren een erg populaire ‘home make-over’ show: Lar Doce Lar, Portugees voor Home Sweet Home. Designer Marcelo Rosenbaum en brein achter de show is een man met een missie. Hij wil design democratiseren en durft huizen onder handen nemen die als een regelrecht krot bestempeld kunnen worden, zoals in de favela’s. Zijn huizen bruisen van de briljante en toch simpele ideeën en het liefst werkt hij met recyclagematerialen.

Nu vraag jij je misschien af waarom ik hierover begin op een blog over stadstuinieren? Wel, Rosenbaum is ook bijzonder inspirerend voor de ondernemende stadstuinier! Op Pinterest circuleert al lange tijd een van zijn bekendste ideeën: een verticale tuin met flessen. Maar wie een blik op zijn website werpt, ontdekt nog pareltjes.

Het meest bekende tuinidee van Marcelo Rosenbaum.

Het meest bekende tuinidee van Marcelo Rosenbaum.

Zoals de make-over bij de familie Mozart met een verticale tuin uit dakgoten en soeplepels (!) en een tuinhek uit fietswielen.

Of de make-over bij de familie Rodrigues die in een schamel huis in São Paulo woonde en nu (onder andere) een  binnentuin hebben om jaloers op te zijn.

De verticale flessentuin komt regelmatig terug, steeds in een andere versie, zoals bijvoorbeeld bij de make-over bij de familie Silva. Het gietertje is hier een leuk accent.

De familie Castro kreeg via de make-over een tuin met barbecuehoek en bubbelbad – hoe zalig is het toch om in zonnigere oorden te wonen!

Een andere familie Silva heeft nu een fantastische buitenkeuken, schattige hondenhokken en een prachtige pottentuin.

Maar kijk gerust zelf een keer, wedden dat je ook vrolijk wordt van de kleurige kamers, het exotische groen binnen en buiten en de super leuke recyclage-ideeën?

Zaden oogsten

Jullie hebben nog wat tips over zaden van mij tegoed. Deze informatie kreeg ik zelf op de opening van de Antwerpse zadenbib, precies een week geleden. Ik deel ze hier graag met jullie.

Er zijn verschillende soorten zaden. Ik bespreek hier kort drie types:

F1 hybriden: wanneer je zaden uit de winkel haalt, staat er soms ‘F1 hybride’ op de verpakking. Dit betekent dat de zaden op een speciale manier gekweekt zijn (via inteelt) waardoor de eerste generatie (F1) van deze plant erg homogeen en betrouwbaar is. Je krijgt dan bijvoorbeeld allemaal vruchten van dezelfde grootte en smaak.

Tot dan is er weinig aan de hand. Professionele boeren vinden het gemakkelijker om deze gewassen te oogsten omwille van hun uniformiteit. Je hebt zelfs biologisch F1 hybridezaad.

Nadeel van deze zaden is dat er weinig genetische variatie is, het zaad duurder is en de volgende generaties van deze planten totaal onbetrouwbaar zijn. De eerste generatie kan bijvoorbeeld mooie, ronde tomaten opleveren en de tweede kleine misbaksels. Niet zo interessant dus voor de tuinier die zelf zaden wil oogsten…

Genetisch gemanipuleerde rassen: deze gaan nog een stapje verder. Hier wordt gespeeld met het toevoegen van andere genen, bijvoorbeeld van vissen. De planten die uit de zaden voortkomen zijn onvruchtbaar. Het is voor de hobbytuinier niet te verkrijgen (en dat is volgens mij maar goed ook).

Biozaden: deze zaden geven vaker sterkere gewassen, omdat men via natuurlijke selectie kiest voor planten die ziekteresistent zijn zodat je geen pesticide moet gebruiken. Deze zaden zijn vanzelfsprekend niet behandeld met pesticiden of chemisch ontsmet en zijn heel bruikbaar om zelf zaden uit te winnen.

Maar hoe doe je dat nu, zaden kweken? Een paar tips:

  • als beginner start je best met planten die snel groeien en niet zo snel kruisen met andere soorten (rode biet maakt bijvoorbeeld rare kindjes met snijbiet). Rucola is een gemakkelijke plant om mee te beginnen;
  • neem mooie ‘ouders’. Kies voor de mooiste plant om zaad uit te oogsten;
  • laat deze plant doorschieten en geef het voldoende ruimte (want doorgeschoten planten kunnen best groot worden), tijd (soms duurt het even) en steun (zaden laten de planten soms doorhangen en kunnen dan de natte grond aanraken – wat natuurlijk niet goed is);
  • eens je een plant kiest, blijf je er verder af. Oogst dus niet een of twee tomaatjes van deze plant (ook al zien ze er nog zo smakelijk uit…).

Wanneer start je met het oogsten van de zaden?

  • op een droge dag;
  • vanaf dat de zaden verkleuren;
  • de zaden vanzelf op de grond vallen;
  • de vruchten voorbij hun oogstpunt zijn;
  • het zaad wegspringt tussen je nagels.

Om de zaden te drogen, leg je ze drie weken op een warme, goed geventileerde plek, bijvoorbeeld op krantenpapier op de vensterbank.

Vergeet ook niet om het kaf van het koren te scheiden. Kaf kan bijvoorbeeld schimmelen tijdens het voorzaaien. Omdat kaf gewoonlijk lichter is dan zaad, kan je het scheiden door buiten een kom zaad vanaf een halve meter hoogte uit te gieten in een andere kom. De wind neemt dan het kaf mee. Je kan natuurlijk ook een zeef gebruiken.

Hoe bewaar je dan je zaden?

  • op een droge, koele en donkere plek, bijvoorbeeld in de koelkast of diepvries;
  • verpakt in ademend materiaal, zoals papier of natuurlijk textiel;
  • met pasta of rijst als vochtregulator.

Het is volgens het Ecohuis sowieso een goed idee om je zaden een paar dagen in de diepvries te steken om beestjes te doden. Zal ik zeker proberen!

Heb jij zelf nog tips, laat ze dan gerust achter in de commentaarhoek.

Hortensia snoeien

Vorig jaar heb ik het helemaal verzuimd, maar dit jaar heb ik braaf onze hortensia gesnoeid. Dat werd ook eens tijd, want deze struik kon wel een verzorgingsbeurt gebruiken!

Wij hebben een Hydrangea macrophylla met platte schermen. Dat is volgens deze website een makkelijke soort. Op dezelfde website vind je ook snoeitips over andere hortensiasoorten.

De hortensia snoeien is eigenlijk niet zo moeilijk. Ik volgde het advies van deze meneer.

Zo zag onze hortensia eruit voor de snoeibeurt.

Zo zag onze hortensia eruit voor de snoeibeurt.

De schaar erin!

De schaar erin!

Allereerst knipte ik een aantal dode en zwakke takken weg (tot aan de grond). Ik had er waarschijnlijk nog iets meer moeten knippen, maar dan bleef er nog maar weinig van onze struik over. Normaal gezien knip je zo’n 20% dode takken weg, maar bij te veel takken mag dat best meer zijn. Bedoeling is dat je de snoeischaar vrij kan manoeuvreren tussen de takken. Dat was bij ons zoals gezegd geen probleem.

Daarna knipte ik de uitgebloeide bloemen van vorig jaar af tot net boven een dikke knop. Je laat best zo’n 2-3 cm over boven de bloemenknop.

Dat ziet er dan zo uit.

Dat ziet er dan zo uit…

...En uiteindelijk zo!

…En uiteindelijk zo!

IKEA hack

Tussen die 1 of 2 procent van het internet dat niet over porno gaat, vindt een mens af en toe wel inspirerende dingen. Zoals daar zijn: IKEA hacks!

IKEA is overal. Ook in ons huis, ja. Tot nu toe volgen we altijd braaf de handleiding die we bij onze aankoop krijgen. Daar kan in de toekomst wel eens veranderen in komen…door deze IKEA hacks voor de (binnen)tuin:

Zoals deze hydrocultuur tuin voor binnenshuis

Of een van deze vijftien ideeën voor in de tuin (Plantaarn! Minivuurmand!)

Of deze super simpele tip om binnen een verticale tuin te installeren

Of een (bescheiden) verticale tuin voor buiten

en voor binnen

Andere ideeën zijn dan weer wat minder geslaagd, maar hey – hulde aan de creatieve breinen!

Gelukkig bestaat er zoiets als Pinterest waar al deze ideeën netjes gestockeerd kunnen worden. Internet wins!

Zaden lenen

Gisteren opende de zadenbib officieel in het Ecohuis Antwerpen.  Vanaf nu kan je er zaden ontlenen en binnenbrengen. Een aanrader!

Hoe werkt het? Je registreert je via MijnTuin.org. Dan ga je naar de zadenbib, bijvoorbeeld in Antwerpen, Ekeren, Berchem, Londerzeel of Sint-Agatha-Berchem. Kies je zaden en breng in ruil zelf geoogste zaden terug. Je moet geen boete verwachten als je zaad te laat terugbrengt, maar om het project te laten lopen is je medewerking toch nodig.

De zadenbib in het Ecohuis.

De zadenbib in het Ecohuis.

Het aanbod bestaat grotendeels uit groentenzaden, zoals pastinaak, venkel, zomerpostelein en zwartmoeskervel, maar er zijn ook bloemenzaden te vinden (goudsbloem, zonnebloem, zonnehoed,…).

Je mag normaal gezien 3 zadenzakjes per keer ontlenen, maar op de opening werd dit voor een keer beperkt tot een zakje. Ik koos voor een zakje warmoeszaadjes.

Vrijwilligers steken de zaadjes in zakjes en geven zo veel mogelijk informatie mee.

Vrijwilligers steken de zaadjes in zakjes en geven zo veel mogelijk informatie mee.

Toch ging ik alles behalve met lege handen naar huis! Na het infomoment over zaden oogsten, kon je op de minibeurs nog zaad ruilen. Ik verzamelde zaden van wilde venkel, pastinaak, zonnehoed, rode ui, tagetes patula en mosterd en liet zaden van koriander, zonnebloem, stokroos en pompoen achter.

En het bleef niet bij zaad. Een vriendelijke compostmeester bezorgde me zelfs een zakje met compostwormen! Wat ik daarmee van plan ben, vertel ik nog wel eens. Het was alvast lollig om met een zakje vol compost, wormen en groenteafval bungelend aan mijn stuur door de stad te fietsen.

Volgende week mag je hier trouwens een blogpost met tips over zaden oogsten verwachten. Voorlopig moet je het hiermee doen. Geniet nog van je zondag!