Boekrecensie Stadstuinieren

Tuinieren in de stad is hip, roepen magazines, kranten en trendsetters al enkele jaren. Dat betekent onder andere dat er steeds meer boeken op de markt komen met tips voor mensen die in hun stadstuin, balkon of dakterras met groen aan de slag willen gaan. Als het nog meer mensen aanzet tot tuinieren, kan ik dat alleen maar toejuichen!

stadstuinieren - mascha schachtEen van die nieuwe boeken is Stadstuinieren van de Duitse journaliste Mascha Schacht. Het boek werd me net voor Pasen bezorgd door Kosmos Uitgevers. Nu heb ik niet het soort blog dat overstelpt wordt met gratis spullen, dus dit was een leuke Paasverrassing.

Gratis of niet, is het ook een goed boek? Allereerst is het fijn om te weten dat de auteur een opleiding tuinbouw volgde aan een Duitse hogeschool. Ze schrijft nu al enkele jaren voor tuinmagazines en heeft al een paar tuinboeken op haar conto. Iemand met kennis van zaken dus.

Met haar boek ‘Stadstuinieren’ richt Mascha zich op stadsbewoners die zonder veel moeite aan het tuinieren willen gaan. Tuiniers met veel ervaring zullen met dit boek waarschijnlijk niet aan hun trekken komen.

Ik beschouw mezelf nog niet als volleerd, dus ik stak wel een en ander op van Mascha’s tuintips. Ik weet niet hoe jullie tuinboeken lezen, maar ik neem er altijd een notitieboekje bij. Ik noteerde bijvoorbeeld dat ik binnenkort eens de boomspiegel van onze vijg moet pimpen met andere plantjes (daarover later meer). Of dat ik de pootaardappelen eens moest proberen voorkiemen in een laagje zand en compost, in plaats van gewoon op de vensterbank.

Het boek is opgedeeld in 5 hoofdstukken. Het eerste deel bundelt tips en weetjes over tuinieren in potten, zoals hoe je de juiste grond kiest of tips om plagen te vermijden. Echt gedetailleerd gaat deze informatie niet, maar voor de beginnende tuinier zal het meer dan voldoende zijn.

In de volgende drie hoofdstukken bespreekt Mascha achtereenvolgens lente, zomer en herfst/winter. In deze delen wisselt ze tuintaken, lijstjes van (makkelijke) seizoensbloeiers, recepten en decoratieve (knutsel)tips af. Deze mengeling werkt aanstekelijk, moet ik toegeven. Het to do-lijstje in mijn notitieboekje werd aanzienlijk langer…

Het laatste (en kortste) hoofdstuk gaat over de inrichting van je groene ruimte. Mascha geeft tips tegen inkijk van de buren en waar je aan moet denken bij het inrichten van je stadstuin of –balkon. De info in dit hoofdstuk wordt af en toe wat betuttelend (uiteráárd kan je een afgebladderd hekwerk opfrissen met wat verf en moet je opletten met lawaaioverlast voor de buren).

De tutorials zijn helder geïllustreerd met foto’s en ook in de rest van het boek stralen de foto’s tuinvreugde uit. Het geheel voelt wel een beetje aan als een Libelle-in-boekvorm. Zijn het de decoratie- en kooktips? Of de foto’s die een beetje ‘vrouwenmagazinnig’ aandoen (en waarop trouwens geen enkele man te zien is)? Niet dat er iets mis is met de Libelle voor alle duidelijkheid, haha.

Meer recensies over tuinboeken vind je op deze pagina.

Heb jij onlangs nog een goed tuinboek gelezen?

Advertenties

Boekrecensie: Moestuin in pot

Peter Bauwens is samen met zijn vrouw Kathelijne Thiers de drijvende kracht achter kwekerij De nieuwe tuin. Hun jarenlange ervaring pent hij regelmatig neer in moestuinboeken. Uitgeverij Lannoo bracht recent een herwerkte en uitgebreide versie uit van zijn boek ‘Moestuin in pot’ uit 2010. En nu was ik deze maand toevallig jarig…

moestuin-in-potVoor de stadstuinier zijn potten niet weg te denken. In de eerste plaats bieden ze een oplossing aan stadsmensen met alleen maar een balkon of terras. Maar ook wanneer je de grond niet vertrouwt of er te veel stenen in zitten, bieden potten een uitweg.

Persoonlijk vind ik het ook handig dat potten flexibel zijn. Geef je een feestje in je piepkleine stadstuin, dan versleep je de potten gewoon even naar een andere plek. En je kan de planten makkelijk in en uit de zon en regen plaatsen.

Kortom, ik moet niet meer overtuigd worden van het gemak van pottentuinen. Twijfel je zelf nog wel, lees dan maar de andere voordelen die Bauwens opsomt in zijn boek. Wedden dat je overtuigd geraakt?

Het boek bestaat uit korte hoofdstukken van een bladzijde, telkens geïllustreerd met een mooie foto of prent. In de eerste delen legt Bauwens onder andere uit welke potten je best kiest en welke potgrond erbij hoort, hoe je water geeft en welke plantencombinaties goed werken.

pot4

Vanaf pagina 47 bespreekt hij meer dan 40 gewassen die het goed doen in potten. Bauwens geeft voor elke plant wat kweektips mee, maar ook welke rassen het beter doen in potten, hoe groot je pot moet zijn, welke potgrond je nodig hebt, wanneer je begint te kweken en wat de moeilijkheidsgraad is.

Uiteraard komen klassiekers als sla, tomaten en aardbei aan bod, maar ook minder voor de hand liggende gewassen, zoals quinoa, oca en lampionbes. Om echt aan de slag te gaan, krijg je soms iets te weinig informatie, maar de plantenfiches werken heel inspirerend. Misschien binnenkort toch eens edamame proberen.

Meer boekrecensies vind je terug via deze link.

Groen in de hoogte

Terwijl de regen met bakken uit de lucht valt, nestel ik me met een boekje in een hoekje. Een tuinboek, zodat ik nog meer zin krijg om nieuwe tuinideeën uit te proberen en nog meer verlang naar droge (en liefst ook warme) zomerdagen. Ach, de dingen die we onszelf aandoen.

Deze laatste aanwinst is het boek van tv-tuinier Jean Vanhoof, bekend van het programma Groene Vingers. Ik moet eerlijk bekennen dat ik nog nooit naar het programma heb gekeken. Werd dat niet om 17 uur op een zaterdag uitgezonden? In pre-digicordertijdperk is zoiets dodelijk.

boekVanhoof heeft al enkele boeken op zijn naam staan, zoals Natuurlijke zwemvijvers en Natuurrijke tuinen. In het boek Groen in de hoogte trekt hij naar de stad, op zoek naar groen. De tv-tuinman vertelt in zijn voorwoord dat hij met zijn boek mensen wil aansporen om creatief om te gaan met groen in de stad. Om vervolgens het eerste hoofdstuk te beginnen over de verdichting van bedrijventerreinen. Niet meteen de insteek die je zou verwachten bij een boek over ideeën voor een groenere stad, maar het is tekenend voor de vreemde structuur doorheen het boek.

Toch is het hoofdstuk ‘De stad ontharden’ interessant. Vanhoof geeft hierin een aantal redenen om met groen in de stad aan de slag te gaan: door verharding wordt het rioolsysteem sneller overbelast wanneer het regent (hoe actueel kan het zijn), groen helpt tegen het hitte-eilandeffect waar steden vaak mee kampen (ik wou dat het actueler was) en door meer groen stijgt de waarde van huizen. Redenen waar ook de niet echt doorwinterde natuurliefhebber misschien oren naar heeft.

Vanhoof schetst zijn droombeeld van een groene stad: een groen netwerk van gevel- en binnentuinen, stadsparken en de groene stadsomgeving die een ontmoetingsplaats vormen voor bewoners.

In het tweede hoofdstuk bekijkt Vanhoof een aantal stoeptuinen. Hij geeft de lezer tips om zelf met een geveltuin aan de slag te gaan en een lijst met geschikte planten. De planten zijn verdeeld in drie categorieën: diervriendelijke, zonnige staanplaats en schaduwrijke staanplaats. Een beetje eigenaardig, want zou het niet handiger zijn als we wisten hoeveel zon de diervriendelijke planten nodig hebben? Zijn planten als bijvoorbeeld de wingerd die onder de lijst van schaduwplanten gecategoriseerd staat dan dieronvriendelijk? Nou ja.

Hoofdstuk 3 gaat over balkontuinen. Of zo zegt toch de titel van het hoofdstuk. Halverwege dit deel zet Vanhoof het spreekwoordelijke boompje op over vierkantemetertuinieren en pallettuinen. Op de bijhorende foto’s zijn er dan nog maar weinig, om niet te zeggen geen, balkons te zien.Maar het is muggenziften, want de pallettuin op de foto is prachtig en zijn stappenplan om er zelf eentje te beginnen, is helder en inspirerend.

Over vierkantemetertuinen zijn al boeken vol geschreven en Vanhoof weet heel goed dat hij er in zijn boek niet echt diep op in kan gaan. De basis – hoe zelf een bak in elkaar knutselen en een eerste zaaischema – krijgen we wel mee alsook de tip om voor een volledig plantschema op gespecialiseerde internetfora te kijken.

In het daaropvolgende deel bespreekt Vanhoof de voordelen van daktuinen en maakt hij een onderscheid tussen extensieve groendaken – waar je amper werk mee hebt – en intensieve daktuinen – wat eigenlijk neerkomt op een echte tuin op je dak. Een van de voorbeelddaktuinen zou zo een plattelandstuin kunnen zijn:  met rondscharrelende kippen en zelfs schapen! Jammer genoeg kom je niet te weten waar deze tuin zich bevindt. Dat is een algemene opmerking: bij de meeste foto’s staat geen locatie vermeldt.

Geheel volgens zijn eigen stijl, sluit Vanhoof het hoofdstuk over daktuinen af met tips om een beestentoren te maken. Hoe egels op een dak kunnen belanden, zal ons een raadsel zijn, maar ook hier wint de handige en praktische uitleg het van de wat vreemde keuze van de schrijver.

In de laatste twee hoofdstukken zoemt de tv-tuinier in op twee verschillende invalshoeken voor groen in de stad: de sociale aanpak van socioculturele werkers en guerrilla gardeners die groen als vehikel gebruiken om mensen dichter bij elkaar te krijgen, en de professionele aanpak, waaronder het werk van tuinarchitecten zoals Patrick Blanc (de bedenker van deze prachtige geveltuin in Parijs) valt.

Het boek laat veel ruimte voor foto’s die vaak een volledige pagina bestrijken of dienen om een stappenplan extra kracht bij te geven. Hoewel het boek af en toe wat chaotisch is opgebouwd, staan er heel wat nuttige tips in en mooie voorbeelden om zelf aan de slag te gaan met groen. Ik heb weer wat ideetjes opgedaan, wordt vervolgd…

Boekrecensie Farming the city

Stadslandbouw is hip. Dat is ook CITIES niet ontgaan, een Amsterdamse onderzoeksorganisatie die zich specialiseert in stadsontwikkeling. In hun Engelstalige publicatie Farming the city bundelden ze 35 initiatieven rond stadslandbouw in Noord-Amerika, Europa, China en Japan en 14 essays over de rol van stadslandbouw in stedelijke ontwikkeling, afgewisseld met mooie foto’s van stadslandbouwprojecten.

De ondertitel Food as a tool for today’s urbanisation windt er geen doekjes om: de initiatiefnemers hopen met het boek de ontwikkeling van stadslandbouw verder te stimuleren. Verwacht geen moestuintips, Farming the city is vooral een inspiratiebron voor beleidsmakers en actoren die hun initiatieven rond stadslandbouw willen laten slagen.

farming the cityOm stadslandbouw te verankeren, onderscheidt Farming the city drie stappen. Stap een gaat over hoe men voedselproductie in de stad op de politieke agenda kan krijgen. Kevin Morgan, een Britse professor voor Beleid en Ontwikkeling aan de Cardiff Universiteit, formuleert enkele bedenkingen. Zo vindt hij de beweging te lokaal en gefragmenteerd om door te wegen op het nationale beleid en pleit hij voor het verenigen van kleine initiatieven. Ik denk dan spontaan aan de Transitiebeweging die hier een antwoord op probeert te vinden.

De tweede stap is het zoeken naar een economische onderbouwing. Om stadslandbouw echt levensvatbaar – lees rendabel – te maken, zijn economische modellen nodig. Derek Denckla, oprichter van FarmCityFund, geeft het voorbeeld van New York waar stadslandbouw aan terrein won door de crisis in de jaren zeventig. Toen eind jaren tachtig de economie weer op gang kwam, kwamen veel initiatieven onder druk te staan door projectontwikkelaars.

Om stadslandbouw te laten slagen, moet men naar het bredere plaatje kijken. Stadslandbouw zal door zijn arbeidsintensieve natuur en beperkte ruimte nooit zo rendabel zijn als een traditioneel landbouwbedrijf. Toch heeft het veel andere troeven, zoals bijdragen aan de biodiversiteit, sociale cohesie en bevolkingsgezondheid in de stad.

Stap drie buigt zich over het maatschappelijk draagvlak voor stadslandbouw. Op dit moment is stadslandbouw vooral een zaak van artiesten, activisten en de middenklasse die hiermee een leuke hobby heeft gevonden, terwijl vooral armere buurten veel te winnen hebben bij een betere sociale cohesie en aanbod aan gezondere voeding.

Uit het voorbeeld van URBANIAHOEVE blijkt dat dit soort initiatieven niet altijd positief onthaald wordt bij gezinnen die onderaan de inkomensschaal bungelen. Hoopvol is wel dat mensen de voordelen inzien nadat de projecten hun eerste successen – anders gezegd: oogsten – hebben geboekt.

Ten slotte bundelt het boek 35 stadslandbouwinitiatieven uit de Westerse wereld. Elk initiatief krijgt een of meerdere labels opgeplakt die iets zeggen over hun impact op hun omgeving wat betreft sociale cohesie, lokale economie, educatie, milieu, gezondheid, infrastructuur en leefbaarheid. De voorbeelden gaan van bijenkasten in Stockholm, kippenrennen in New York, commerciële daktuinen in Haarlem en Hong Kong tot cateraars in Berlijn. Onze noorderburen zijn goed bezig met maar liefst 9 voorbeelden van de 35. Geen enkel Belgisch initiatief haalt het boek. Tijd voor een inhaalbeweging?

Toch is het nog afwachten of deze initiatieven meer zijn dan de laatste modegrill. Het pleit in ieder geval voor CITIES dat ze de vinger aan de pols houden met deze relevante publicatie die een zowel realistische als idealistische blik werpt op het fenomeen stadslandbouw.

Minibijbel Tuinontwerpen

Zo, 2013 is bijna op z’n einde. Tuingewijs heb ik dit jaar enorm veel geleerd en ik kijk uit naar de lente om er weer vollen bak in te vliegen!

Nu onze doorn in het oog – en dat was bijna letterlijk te nemen – vakkundig verwijderd is, kan ik me ook helemaal toeleggen op een nieuw ontwerp voor onze tuin. En zie hier een bijna naadloze overgang naar mijn derde boekrecensie tijdens deze kerstvakantie. Na ‘Het lekkerste terras’ en ‘Boven in de stad’ is het nu de beurt aan de ‘Minibijbel Tuin ontwerpen’ van Peter McHoy.

indexPeter McHoy belooft tips en ideeën om zelf je tuin te kunnen ontwerpen die je persoonlijkheid weerspiegelt. Klinkt goed!

Het boek start met een hoofdstuk over de basistechnieken van het tuinontwerpen. In duidelijke taal, vergezeld van foto’s en tekeningen legt McHoy stap voor stap uit hoe je een idee vertaalt naar een tuinplan. Hij geeft meteen een aantal basispatronen en -ideeën mee voor elk type tuin – of het nu een kleine stadstuin of een glooiende parktuin is. Interessant is ook dat de auteur aandacht heeft voor ongewone vormen – niet elke tuin heeft de afmetingen van een rechthoek. Met een aantal slimme tips zet McHoy de uitdagingen van een ongewone tuin naar zijn hand.

In de daaropvolgende hoofdstukken gaat de auteur dieper in op de verschillende types tuinen en hoe je het ontwerp daaraan aanpast. Zo bespreekt hij onderhoudsarme tuinen, terrassen en balkons, natuurvriendelijke tuinen, kleine tuinen, kindvriendelijke tuinen en moestuinen. De hoofdstukken over Japanse tuinen en ‘steen en water’ in de tuin vallen hier een beetje uit de toon, maar bevatten net als de andere delen enorm veel praktische tips en inspiratie – ook voor wie niet valt voor een Japanse lantaarn of rotsplantenwiel.

Dat is het grote pluspunt van het boek: er is voor elk wat wils. Zowel formele als informele, romantische als natuurlijke tuinen komen aan bod.

Elk hoofdstuk start met inspirerende ideeën: foto’s van tuinen met een korte uitleg over waarom het tuinontwerp werkt. Daarna brengt McHoy telkens een aantal toepassingen. Daarvoor haalt hij een element of functie uit het ontwerp, bijvoorbeeld ‘vogelhuisjes’ of ‘speelplekken’, en aan de hand van foto’s bespreekt hij enkele voorbeelden. Heel handig zijn de eenvoudige ‘ontwerptips’ die hij de lezer meegeeft, zoals de tip om het tuinmeubilair zo dicht mogelijk bij planten te zetten die geuren of dat je bij het ontwerp van een vijver ook rekening moet houden bij de aanblik van de tuin in de winter.

Per hoofdstuk werkt McHoy ook een aantal tuinontwerpen uit in verschillende stijlen. Is de zakelijke tuin niets voor jou, dan haal je vaak toch nog informatie uit de bijhorende stappenplannen om een tuinelement zoals een pergola of tegelterras aan te leggen. Elk hoofdstuk sluit de auteur af met een plantenlijst, aangepast aan het tuintype.

De eerste druk van het boek is al uit 1998. Het is dus niet te verbazen dat sommige foto’s een beetje gedateerd aanvoelen. Ook het hoofdstuk over de Japanse tuin vind ik persoonlijk overbodig geworden. Toch blijft het boek relevant en dankzij de meer dan 50 ontwerpen en tips een echte ‘bijbel’ voor de tuinliefhebber.

Ik weet alvast wat doen in 2014. Maar eerst gaan we nog lekker uitgebreid klinken op het nieuwe jaar. Ik wens iedereen een 2014 waarin je zo veel mogelijk kan genieten van zalig ruikende bloemen en geslaagde oogsten. Veel plezier en tot volgende jaar!

Boven in de stad

Vrolijk feest van de Onnozele Kinderen allemaal! Hopelijk heeft iedereen de kerstdis(sen) overleefd. Bij ons was het genieten van het eten en elkaars gezelschap. Zo hoort het ook, toch?

Ondertussen heb ik weer een tuinboek achter de kiezen: ‘Boven in de stad – Groentips voor je balkon’ van Liedewij Loorbach. Ik deel hier graag met jullie mijn commentaar.

liedewijLiedewij Loorbach is geen tuingoeroe. Dat zegt ze alvast zelf in de inleiding van haar boek. Meer nog: ze heeft niet eens een tuin!

Wel heeft ze een beetje ervaring met tuinieren op haar eigen balkon. Aangevuld met wat opzoekwerk op het internet en in de bib, heeft ze alles neergepend in een boekje waar ze als beginnende balkontuinier zelf naar op zoek was.

Met haar boek houdt ze zich ver van de typische tuinnaslagwerken vol “zwierige lettertypes gedrenkt in spruitjesgeur”. Haar boek is geschreven voor haar vrienden – “stadse twintigers en dertigers” – die ze wil vertellen hoe ze hun balkons, ‘platjes’ en dakterrassen groen kunnen houden.

Loorbach is Nederlandse. Dat merk je niet alleen aan woorden als ‘mazzel’, ‘platjes’ (platte daken en geen schaamluizen, nvdr) of verwijzingen naar Annie M.G. Schmidt en Mien Dobbelsteen. In welk ander tuinboek vind je een pagina over wiet zaaien en oogsten, net na de rozemarijn- en oreganokweektips?

In het eerste hoofdstuk geeft Loorbach een paar basistips mee voor de stadstuinier zonder tuin. Verwacht geen diepgravende info: Loorbach raadt bijvoorbeeld aan om een zak potgrond uit de supermarkt of bloemist te halen, zodat je je verder geen zorgen moet maken over de juiste verhouding voedingsstoffen. Pas helemaal achteraan, als een soort voetnoot, geeft Loorbach een paar tips over milieuvriendelijk tuinieren. Ik had liever al in het hoofdstukje over potgrond gelezen dat je beter geen veengrond gebruikt, maar bijvoorbeeld wel kokospotgrond.

In de daarop volgende hoofdstukken bespreekt Loorbach verschillende gewassen die het prima doen op het balkon. Daarbij geeft ze met icoontjes weer hoeveel water en zon het plantje nodig heeft. De planten deelt ze op in ‘wegwerpexemplaren’ – een nogal oneerbiedige term voor eenjarigen – vaste planten, klimplanten, bollen, kruiden, groente en fruit. In het laatste hoofdstuk geeft Loorbach een paar “exterieurtips”: werk met niveaus, bevestig planten aan de muur en – ook weer oer-Hollands – gebruik een ‘Laaf’ als ornament. Laafjes, die kennen we nog van de Efteling en zijn volgens Loorbach “een twist op het kabouterthema”. Asjemenou.

Door haar enthousiaste en erg aardse manier van vertellen, is dit boekje prima voor de stadsbewoner met balkon die toch een beetje in het groen wil zitten, zonder er al te veel moeite voor te doen. Niet geschikt voor wie al over een beetje ervaring beschikt en meer wil weten. Daarvoor blijven de tips en info helaas wat te oppervlakkig.

Het lekkerste terras

Kerstvakantie, dat betekent ten huize Groentje en Co vooral familie en vrienden bezoeken en een aantal huis- en tuinklusjes van onze to do-lijst schrappen. En tussendoor vooral niet te veel plannen of rennen, maar regelmatig met een boekje in de zetel kruipen. Heerlijk!

En zo komt het dus dat je op deze blog de komende dagen twee – misschien wel drie – boekrecensies te lezen zal krijgen, uiteraard allemaal over tuinieren.

Het-lekkerste-terras-grootHet eerste tuinboek dat ik uitlas was ‘Het lekkerste terras’ van Angelo Dorny. Naar het schijnt is deze jongen bekend van tv, maar eerlijk gezegd deed zijn naam noch zijn gezicht een belletje rinkelen. Hij draaft regelmatig op als tuinspecialist in het VTM-programma De Keuken van Sofie, waar ik zelf nooit naar kijk. Dat moet Sofie Dumont zeker niet persoonlijk nemen, want ik houd sowieso niet van kookprogramma’s (nee, ook niet die van Jeroen Meus of Piet Huysentruyt).

Terug naar Angelo. ‘Het lekkerste terras’ is na ‘Angelo’s groentetuin’ zijn tweede tuinboek. Zoals de naam doet vermoeden, heeft Angelo het over tuinieren op kleine oppervlaktes en bij voorkeur in potten. Alle mogelijk onderwerpen komen aan bod voor de beginnende pottentuinier: soorten potten, de juiste potgrond, water geven, groenten en kruiden die het goed doen in potten, slakken bestrijden,…

Het boek is erg overzichtelijk en fris vormgegeven. De elf hoofdstukken zijn vaak twee à drie pagina’s lang, waarop korte blokken tekst en foto’s elkaar afwisselen. Soms blijf je wat op je honger zitten, zoals in het hoofdstuk over het combineren van groenten, kruiden en bloemen. Daar had ik graag wat meer voorbeelden gelezen over welke planten het extra goed doen als ze in elkaars buurt staan.

Omdat niet elke groente geschikt is om in een bloempot te kweken, toont Angelo in het voorlaatste hoofdstuk welke groenten je een relatief hoge opbrengst kunnen bezorgen. Sla, tomaten, komkommer, aardappelen en ui zijn enkele voorbeelden die het goed doen op elk terras.

Wanneer je dan je groenten geoogst hebt, kan je in de keuken aan de slag met de tien recepten achteraan het boek. De eenvoudige recepten nemen niet meer dan een halfuur kooktijd in beslag en smaken natuurlijk dankzij de zelfgekweekte groenten en kruiden extra lekker!

Kort samengevat is ‘Het lekkerste terras’ een mooi en leesbaar tuinboek voor de beginnende (stads)tuinier die het maximum wil halen uit de kleinste buitenruimtes.

Fijne feesten gewenst!

Boekrecensie: Landleven in de stad

Ik geef het maar meteen toe: Landleven in de stad: praktijkboek voor de creatieve stadstuinier van Alex Mitchell is een boek dat ik graag zelf had geschreven. Prachtige foto’s, getuigenissen van stadsboeren in Berlijn, Amsterdam en New York, praktische adviezen, recepten, tips…

Landleven in de stadWie nog een beetje twijfelde over stadstuinier worden, is na het lezen van dit boek overtuigd rurbanist. Dit zijn volgens Mitchell mensen die een passie hebben voor het landleven, maar niet van plan zijn om de stad te verlaten. Aardappel of patat, ’t is maar dat het beestje een naam heeft.

Het boek is opgebouwd uit drie delen. In het eerste en meest uitgebreide deel bespreekt Mitchell hoe je stadsboer wordt, al dan niet in een gedeelde tuin, op een verwaarloosd stukje grond of in een wijktuin.

Mitchell, een schrijfster en tuinier uit Londen, laat niets aan het toeval over. De lezer krijgt een stappenplan om van een braakliggend terrein een vrolijk buurttuintje te maken, maar geeft ook praktische info over hoe een irrigatiesysteem opzetten, welke gewassen ideaal zijn voor een wijktuin en hoe je zaadbommen maakt. En nog veel meer. Echt veel, veel meer.

In het tweede deel heeft Mitchell het over hoe je de natuur in de stad kan ontdekken. Ze geeft tips over eetbare planten, maar ook over het herkennen van bloemen en vogels. Ik zie me nog niet meteen kleefkruid op het menu zetten (voor wie culinair avontuurlijker is: de scheutjes stomen en serveren met een klontje boter), maar haar handleiding voor een zelfgemaakt vogelvoederbakje ga ik een keer uitproberen.

In het laatste deel geeft Mitchell tips over het houden van kippen, kwartels, eenden en bijen. Voor mij is dit dan weer te veel van het goede, maar dat kan ook zijn omdat onze tuin écht te klein is voor kippen en ik geen ambities als imker heb. Toch kan ik me voorstellen dat andere stadsbewoners wel geïnspireerd worden door dit hoofdstuk.

Ook lof voor de vertaling. Uitgeverij Fontaine heeft haar best gedaan om af en toe de zeer Angelsaksische info uit te breiden met uitleg over de situatie in Nederland.

Mitchells pleidooi voor meer groen(te) in de stad werkt aanstekelijk. Niet geschikt voor tuiniers op het platteland, maar een bijbel voor de stadsboer (in spe).